Populus x canadensis 'Forndorf'



Forndorf is ontstaan in 1814 in Arcueil (vlak bij Parijs) onder de naam onder de naam Populus regenerata. Waarschijnlijk zijn er destijds
verschillende, sterk opelkaar lijkende planten gevonden en vermeerderd. Mede daardoor is veel verwarring geweest over deze boom.
Het is de kloon met de meeste synoniemen. Ook botanici hebben zich vaak vergist in het o naam brengen van deze kloon.
Dr Theodor Hartig beschreef in 1852 deze kloon als Populus monilifera (een P. deltoides type) een in America voorkomende soort.
Niet verwonderlijk, rond 1700 zijn er voor het eerst stekken uit America ge•mporteerd naar het vaste land. Waaronder ook stekken
van Populus monilifera. Dit deltoides type, waar overigens alle oude canadensis klonen uit zijn voortgekomen, heeft zich in het
Europese klimaat niet weten te handhaven. Wel werd tot 1900 gedacht dat deze soort zich had verspreid.
Later bleek dat het hier om Forndorf ging.
Rond 1935 zijn er uit Frankrijk (Seine dal) opnieuw verbeterde P. regenerata stekken naar
Nederland gekomen. Deze al rond 1890 onstane kruisingen en/of selecties kregen de namen 'Serotina Erecta' en 'Keppels Glorie'.Kepels Glorie bleek identik aan 'Serotina de Champagne'= 'Tardif de Champage'
Forndorf is de Duitse variantnaam van P. regenerata. Pas rond 1967 is dit de oficiele naam geworden voor deze boom.
Omreden dat de naam Forndorf als enige was geregistreerd bij de Nationale populierencommissie.
Echter deze ontknopingspret duurde niet lang. In 1976 wordt de kloon uit de handel genomen wegens zijn vatbaarheid voor
marssonia. Deze bladvlekkenziekte is rond 1955 uit America ingevoerd. Forndorf bleek vatbaar.
Rond 1950 bestond 35% van de het Nederlandse populieren bestand uit Forndorf. In Engeland is hij zeer veel aangeplant
langs spoorwegen. De Engelsen kennen de boom als Railway Poplar. Er is nog steeds enige variatie in Forndorf waar te nemen.

Brede tot matig brede boom met doorgaande grijze stam. Soms grote takken van onderuit de kroon tot bovenin.
Veel dunnere twijgen. Kortloot grijs. Blad hartvormig.

Bruikbaar als laanboom op grote standplaatsen op het platteland.
Bruikbaar als solitair in grote parken.
Vormt geen wortelopslag.
Matige weerstand tegen bladvekkenziekte en niet geschikt voor grote opstanden
Weinig windgevoelig.